A. Alberts & H.J. Friedericy, schrijvers

 

 

 

P.C. Hooft-prijs


Juryrapport P.C. Hooft-prijs 1995

 

Iets zeggen over het werk van A. Alberts is niet eenvoudig, ontdekte de jury tijdens haar bijeenkomsten. Als je zijn werk zojuist hebt herlezen, klinkt er een toon in je hoofd die het onmogelijk maakt stellige uitspraken te doen. Deze toon is de toon van het vermoeden, de aarzeling, een lastige bijkomstigheid bij het schrijven van een lovende redevoering. Het is werk dat meer vragen ontlokt dan beweringen. Hem een van de grote naoorlogse schrijvers noemen is juist, maar klinkt als het over hem gaat pompeuzer dan bij wie dan ook. Het is alsof zijn werk iedere loftuiting enigszins belachelijk maakt, verdacht. In zijn werk tref je nooit één zin aan die evengoed van een andere auteur had kunnen zijn en dat maakt je, wanneer je iets over hem wilt schrijven, beducht. Beducht om als iemand anders te klinken, als een heleboel iemanden door elkaar. Daarom eerst maar een citaat.
In De vrouw met de parasol vraagt Aafje zich af of haar man, die zojuist door zijn broers uit de familiezaak is gewerkt, eigenlijk wel weet waarom de zaak indertijd bijna failliet is gegaan:

 

Wist Pieter het werkelijk allang? Ze kon dat wel tegen zichzelf zeggen, maar wat schoot ze ermee op? Pieter was op zulke momenten ergens anders, luisterde alleen naar zijn eigen gedachten en gaf daar antwoord op als hem iets heel anders werd gevraagd. Ze had dat meestal wel komiek gevonden, maar ditmaal was het irritant, omdat het hem tegenover de anderen - en dan voornamelijk zijn broers - een beetje dom maakte. Wat hij eigenlijk ook wel was en daarom kon ze het dit keer niet hebben, vooral, omdat de broers, die hem om aller bestwil aan de kant zetten, dat zo vriendelijk deden als het maar kon. Ze zeiden bijvoorbeeld: jouw rente, Pieter en jouw kapitaal, in plaats van jouw maandelijkse toelage, wat het toch was. Zijzelf vond het best en ze geloofde ook, dat het eerlijk toeging. Het was daarom vervelend Pieter, blijkbaar getroffen door het woord kapitaal, te horen zeggen - heel slim kijkend -: ik zal er onmiddellijk met mijn bankier over spreken.
Hij had geen bankier en dat wist iedereen. Hij had moeten vragen: hoe krijg ik mijn geld; of opschepperig: mijn salaris; of sarcastisch: mijn zakgeld, mijn spaarpot. De anderen zouden hebben geantwoord - wat ze tenslotte toch deden, al werd er door Pieter niet naar gevraagd: daar wordt voor gezorgd door meneer Van Kleef.
Van Kleef, de hoofdboekhouder, zou het geld overmaken in wat voor termijnen en naar wat voor adres, binnenlands of buitenlands, Pieter maar wilde.
Intussen had Pieter alweer een antwoord gegeven op zijn volgende gedachte. Hij zei: ik zou wel een paar opdrachten in het buitenland kunnen meenemen, kunnen uitvoeren. Waar? Ja, waar? Hij had naar haar gekeken en ze had nee geschud. Daarmee was de zaak als afgedaan beschouwd. De twee broers zeiden, dat ze weg moesten. Naar een vergadering, maar dat woord gebruikten ze niet. Het had Pieter weer op een gedachte kunnen brengen.

 

Hoe komt het dat je zoveel sympathie voelt voor deze Pieter, die je nog maar amper kent? Hij luistert alleen naar zijn eigen gedachten, maar wat die gedachten zijn, weten wij niet. Pieter wordt door zijn vrouw `ongrijpbaar' gevonden, `een uitzondering'. Zijn moeder merkt later op dat het moeilijk voor haar schoondochter moet zijn, getrouwd te zijn met iemand die `voor je uit loopt of achter je aan, maar nooit naast je. Die aan niets anders dan aan zijn eigen gedachten denkt en nooit aan die van een ander. Of nee, dat is niet waar. Hij heeft zijn eigen wereld en iedereen is daar welkom, maar niemand hoeft.'

 

Hoe kan het dat we deze Pieter willen volgen? Komt het ook doordat personages en oeuvre zo op elkaar lijken? Willen we deze Pieter begrijpen om het werk van Alberts te doorgronden? Waarom willen we dat? Omdat het werk van Alberts een belofte doet, zoals een sfinx een belofte doet. We vinden Pieter raadselachtig, maar allerminst schimmig. Geheimzinnig, terwijl niets er op wijst dat hij een groot geheim met zich meedraagt. Niet groot in de zin van: iets verschrikkelijks in zijn jeugd, een onbeantwoorde liefde, een verzwegen misdaad. Na het lezen van Alberts denk je overigens niet meer in termen van grote en kleine raadsels, grote en kleine gebeurtenissen. Zijn onbevangen stijl maakt alles even belangrijk. Als er in het leven van een Alberts-personage al zo'n gebeurtenis plaatsvindt, is de kans groot dat de hoofdpersoon zelf die een paar minuten later vergeten is. Pieter vergeet, een half uur na zijn ontslag - toch geen geringe gebeurtenis in een mannenleven - op de stoep bij zijn oom, waarvoor hij ook alweer bij oom langs ging.

 

Ze kon, toen alles eenmaal achter de rug was niet eens zeggen of ze opgelucht was of niet. Waarschijnlijk het eerste.

 

Zulke wendingen hebben van meet af aan zijn proza bepaald. Ze staan al in De Eilanden, uit 1952, in De bomen, De vergaderzaal, De honden jagen niet meer, Maar geel en glanzend blijft het goud, Het zand voor de kust van Aveiro, De zilveren kogel, en nog steeds in De vrouw met de parasol, uit 1991.

Alberts heeft zijn toon nooit hoeven ontwikkelen, die was er al meteen, met de zelfverzekerdheid van de grote auteur.

 

Ze kon, toen alles eenmaal achter de rug was niet eens zeggen of ze opgelucht was of niet. Waarschijnlijk het eerste.

 

Een mens weet vaak niet, vaker niet dan wel, wat hij van een situatie moet denken en geen schrijver die dat zo precies weet uit te drukken als Alberts. Precies, maar niet door lange, zoekende formuleringen maar in woorden als `waarschijnlijk', `ongeveer', `zoiets', `ofzo'. Woorden die je een kind verbiedt te gebruiken omdat ze zo'n vage, ongeïnteresseerde indruk maken, geven je in een zin van Alberts juist het gevoel dat niets hem ontsnapt.
Uit `Groen', het eerste verhaal uit De Eilanden de volgende alinea's:

 

In het huis staan twee tafels tegen elkaar, daar hebben ze Peereboom opgelegd, in een laken gewikkeld, maar zijn hoofd steekt er buiten. Ik leg er gauw een zakdoek over, dat is nog eerbiedig ook.

 

Ik houd een soort minuut stilte en daarna pakken we hem op, ik aan zijn benen en we leggen hem in de kist en de kist wordt dichtgetimmerd.

 

`Een soort minuut stilte.' De formulering lijkt even onbeholpen als die geïmproviseerde teraardebestelling van de zelfmoordenaar. Als je de zin overleest, besef je dat er niets anders had kunnen staan. Iedere andere minuut stilte zou hier veel te stijf zijn, te officieel, zoals het hoort. Maar zoals het hoort, gaat het nooit. Niet bij plechtigheden, niet in verhoudingen. Iedere ervaring is altijd net even anders dan je verwachtte en Alberts wijst je daar op, met iedere zin die hij schrijft.

 

Hoe sober het er ook staat, hij eist veel. Alberts beschrijft een blik: hoe een vrouw langs een man heenkijkt; een handeling: hoe een jongen een brief laat vallen. Maar steeds is er nog iets gaande: dat wat je, als hij een toneelschrijver zou zijn, de ondertekst zou noemen, de spanning waarmee iedere handeling is geladen, de verzwegen gedachten onder een gesprek. Een acteur kan zijn rol niet spelen als hij alleen tekst- en regie-aanwijzingen kent, dan wordt het een bloedeloze voorstelling. Wie het werk van Alberts gaat lezen, moet dezelfde gevoeligheid hebben als een goed acteur, dezelfde alertheid, inzet zou je haast zeggen, als het niet om iets veel passievers gaat. Wie zijn werk op die manier leest - en dat lukt niet altijd, want ook de talentvolste acteur is wel eens lui - zal beloond worden met de ervaring in één kamer te zitten met zijn personages, aan dezelfde tafel, in de ban van dezelfde geluiden.

 

In De honden jagen niet meer - door hemzelf zijn beste boek gevonden, met een slot dat Kees Fens het emotionerendste uit onze literatuur noemde - zitten drie mensen bij elkaar. Wietze en zijn vrouw zijn op bezoek bij Pietje, wier eerste man is vermist op zee. Pietje heeft nooit meer iets van hem vernomen, en is nu hertrouwd. Wietze's vrouw kan niet naar Pietje kijken zonder aan die andere man te denken, de vermiste.

 

Ze waren alle drie stil. Ze zaten thee te drinken om niets te hoeven zeggen. En in die stilte hoorde Wietze's vrouw stappen. Ze hield het hoofd rechtop en ze luisterde ingespannen, maar het waren stappen. En waarom niet. Er woonden mensen in de straat en die gingen om deze tijd naar huis of ze gingen ergens op bezoek. Stappen zonder begeleiding van stemmen. Stappen van een enkel mens, een enkele man. Ze kwamen dichterbij, tot vlak voor de deur. Op het moment, dat ze hadden kunnen ophouden, keek Wietze's vrouw naar Pietje en ze zag, dat Pietje naar haar keek. Strak naar haar keek. Toen ging het geluid verder en verder. Het was voorbij.

 

Een groot schrijver is iemand die een wereld maakt van iets dat iedereen uit zijn eigen ervaring wel kende, maar niet benoemen kon. Daarom lijkt zijn werk vreemd - het is alsof de schrijver naast de werkelijkheid heeft gekeken. Het doet je beseffen dat je altijd iets ervoer, maar het had geen vorm, geen uitdrukking, je leefde er langs.
Alberts is zo'n grote schrijver. Een schepper van een werkelijkheid ernaast. Hij brengt een wereld van onwillekeurige, ternauwernood bewuste gemoedsbewegingen aan het licht. Terwijl je hem leest is het alsof je het bewustzijn dichter op de hielen zit. Het lezen maakt je op een contemplatieve wijze helder en klaar, want het gaat steeds om iets belangrijks, dat tegelijkertijd alledaags en van alle tijden is.
Het kan niet anders of de woorden van de jury zijn te groot - toch is het haar een grote eer deze grote schrijver voor de P.C. Hooft-prijs 1995 voor te dragen.

 

De jury:

 

Graa Boomsma
Vonne van der Meer
Nelleke Noordervliet (voorzitter)
Cyrille Offermans
R. Th. van der Paardt

 

De prijs werd op maandag 22 mei 1995 uitgereikt in het Letterkundig Museum te 's-Gravenhage door mr. L.J. Pieters, voorzitter van de Stichting P.C. Hooft-prijs voor Letterkunde.

 


 

Zie ook Kees Fens - Doorluchtig glas : vijftig jaar P.C. Hooft-prijs

 

Laatste wijziging: 31.05.2015